Uitgebreide geschiedenis van het Garrelsorgel

Het Garrelsorgel van Purmerend


Hoewel Rudolph Garrels het orgel van Purmerend in 1742 opleverde, gaat de geschiedenis van het instrument aanzienlijk verder terug.
Waarschijnlijk werd kort na de voltooiing van de driebeukige gotische hallenkerk van
Purmerend in 1520 het eerste orgel in de kerk geplaatst. Uitgebreide werkzaamheden werden uitgevoerd door Jacobus Galtus van Hagerbeer in 1656. Johannes Slegel onderhield het orgel in de periode 1669-1685. Gerrit van Giessen voerde in 1703 reparaties uit en leverde een rugpositief. Eén van de huidige spaanbalgen vermeldt het jaartal 1703. In 1723 voerde Matthijs Verhofstadt herstelwerkzaamheden uit.

Na een eerste opdracht van beperkte aard kreeg Rudolph Garrels in 1739 opdracht voor de bouw van een drieklaviers orgel met 39 stemmen. In 1742 werd dit orgel door Garrels opgeleverd. Garrels had een groot deel van het voormalige orgel in zijn concept opgenomen. Dat concept toont een Noord-Duitse opstelling, het zogenoemde Hamburger Prospekt.
Het orgel kreeg een geheel nieuwe kas, echter met handhaving van de rugwerkkas uit 1703 welke vanwege de grotere windlade werd verbreed door de beide zijvelden negentig graden om te zetten. De klavieromvang werd vergroot van 45 naar 49 tonen. De klaviatuur, mechanieken en windladen voor hoofdwerk en pedaal werden nieuw gemaakt. De voormalige hoofdwerklade (1656) werd rugwerklade en de voormalige rugwerklade (1703) werd in het borstwerk geplaatst. Garrels nam vrijwel al het pijpwerk en vermoedelijk ook drie spaanbalgen uit het bestaande orgel over. Twee spaanbalgen voegde hij toe.
In 1745 verving Garrels de in 1742 geplaatste Dulciaan 16’ van het rugwerk door een Trompet 8’.
Het vroegere orgel heeft zeer waarschijnlijk vanaf de zestiende eeuw tegen de noordwand van de kerk gestaan, in de tweede travee vanaf de westgevel. Bij het door Garrels gebouwde instrument is dat zeker het geval geweest.

Matthias Schulte en Jan Christoffel Smit werden onder meer in de archieven van 1753 voor onderhoud vermeld. In 1770 droeg Daniel Stapper zorg voor "verfraaiing van het uiterlijk” van het orgel. Adam Keerman voerde onderhoud uit van 1796 tot 1805. Leonard van den Brink deed dat vanaf 1806 en voerde in 1809 herstelwerkzaamheden uit. Hetzelfde gebeurde in 1827, waarbij Van den Brink tevens de Gemshoorn 2’ van het hoofdwerk verving door een Viola di Gamba 8’.

In 1850 werd het orgel gedemonteerd door Flaes en Brünjes. De hallenkerk werd vanwege bouwvalligheid gesloopt en in de periode 1850-1853 vervangen door het huidige kerkgebouw.
Flaes en Brünjes bouwden het orgel in 1853-1854 op in de nieuwe kerk. Het instrument werd geplaatst tegen de westgevel van de centraalbouw.
Door Flaes en Brünjes werden tevens de volgende werkzaamheden uitgevoerd:
- Plaatsing nieuwe klaviatuur en koppelingen.
- Borstwerk: Prestant 8’disc. en Prestant 4’ vervangen door Echo-viool 8’ disc. en Salicionaal 4’.
- Hoofdwerk: Vox Humana 8’ vervangen door Fagot 16’, Woudfluit 2’ veranderd in Octaaf 2’, Cornet ten dele vernieuwd. Verschuivingen in diverse registers ten behoeve van een wijdere mensuur.
- Open pijpen voorzien van nieuwe stemstukken.
In 1853 en 1859 werd de kas geschilderd.

Knipscheer voerde herstelwerkzaamheden uit in 1879. De frontpijpen werden opnieuw van tinfolie voorzien. Tot 1896 verzorgde Knipscheer het onderhoud, dat daarna overging naar L. van Dam & Zn.
In 1902 werd de kas in pasteltinten geschilderd en werden de frontpijpen van aluminiumverf voorzien.
In 1911 vonden uitgebreide werkzaamheden door H.W. Flentrop plaats: in eerste instantie herstel van balgen en windladen, daarna algeheel herstel en schoonmaak. Op het borstwerk werden de Echo-viool 8’, Salicionaal 4’ en Octaaf 2’ vervangen door Gamba 8’, Voix Celeste 8’ en Fluit-harmonique 4’disc..
In 1922 plaatste H.W. Flentrop een pneumatische tremulant op het borstwerk. In 1928 werd een electrische windmachine geplaatst en werden de twee onderste spaanbalgen vervangen door een magazijnbalg.
In 1919 werd een voorstel voor het bouwen van een vrijwel nieuw orgel, te plaatsen achter het oude front, terzijde gelegd.

In de periode 1940-1945 herstelde organist A.W. Blokhuis de laden van rugwerk en pedaal. Tevens vernieuwde hij delen van de pedaalmechaniek.
In 1947 voerde Ernst Leeflang een restauratie uit. Naast algeheel herstel werden de volgende wijzigingen in borstwerk en hoofdwerk uitgevoerd:
- Borstwerk: Gamba 8’, Voix Celeste 8’en Fluit-harmonique 4’disc. vervangen door
Prestant 4’, Woudfluit 2’en Flageolet 1’.
- Hoofdwerk: Cimbaal 3 sterk voor de Viola di Gamba 8’ uit 1827.
Dit laatste register verhuisde naar het borstwerk, op twee pneumatische aanvullingsladen.

In 1971 verliet de Hervormde Gemeente de Grote Kerk. Het orgel werd in 1976 gedemonteerd door Flentrop Orgelbouw. De kas bleef in de kerk achter. Tot 2000 bleef het orgel in de werkplaats van de firma Flentrop te Assendelft opgeslagen.
Gedurende twaalf jaren fungeerde het kerkgebouw als multifunctioneel centrum onder de naam Koepelkerk.
In 1989 werd de kerk door de R.K. Nicolaasparochie als Nicolaaskerk in gebruik genomen. In 1989-1999 werd een uitgebreide kerkrestauratie doorgevoerd.


Restauratie en terugplaatsing


In 1996 werd de Stichting Restauratie Garrelsorgel Purmerend opgericht. Met steun van de rijksoverheid werden de middelen voor restauratie en terugplaatsing van het Garrelsorgel gevonden. Jan Jongepier was reeds vanaf 1976 als adviseur bij de voorgenomen restauratieplannen betrokken en werd nu ook door de stichting hiervoor aangetrokken.
In de periode 2000 – 2003 realiseerde Flentrop Orgelbouw onder advies van Jan Jongepier de restauratie en terugplaatsing van het orgel. De kas werd geheel hersteld en in de oorspronkelijke kleuren geschilderd door IJsbrand Kuiper Schilderwerken die ook het verguldwerk e.d. uitvoerde. De frontpijpen werden van tinfolie voorzien.
Na zeer uitgebreid onderzoek werd de situatie van 1854 als uitgangspunt bij de restauratie genomen. Dit gezien de grote invloed van Flaes en Brünjes (1853-1854) op het pijpwerkbestand en de klank. Teruggang naar de toestand van 1742 zou een teruggang naar het onbekende zijn.
De magazijnbalg uit 1928 werd vervangen door twee nieuwe spaanbalgen en klaviatuur, mechanieken en laden werden hersteld. Het pedaalklavier kreeg nieuwe toetsen.
De functie en plaatsing van het pijpwerk werd geconserveerd overeenkomstig de situatie van 1854. De dispositie werd op enkele punten hersteld, waarbij een compromis tussen de situatie van 1854 en de oorspronkelijke dispositie werd nagestreefd:
- Hoofdwerk: Cimbaal 3 sterk vervangen door een nieuwe Woudfluit 2’.
- Borstwerk: de drie registers van 1947 vervangen door reconstructies van de Prestant
8’ disc., Prestant 4’ en Octaaf 2’.
De Viola di Gamba 8’ werd verwijderd. Dit pijpwerk van Van den Brink werd naderhand elders passend geplaatst.
- De tongwerken van rugwerk en pedaal, alsmede de Mixtuur van het rugwerk werden gereconstrueerd naar de situatie uit 1742 vanwege ongunstige latere ingrepen.

Het orgel werd op 5 september 2003 opnieuw in gebruik genomen. Het Garrelsorgel was inmiddels eigendom geworden van de Stichting Garrelsorgel Purmerend welke stichting in het vervolg zorg zou dragen voor het beheer, het gebruik en de instandhouding van het orgel.


Naderhand

In 2014 werden door Flentrop Orgelbouw werkzaamheden uitgevoerd aan vier van de zeven tongwerkregisters, dat betrof de drie tongwerken van het Pedaal (= Bazuin 16’, Trompet 8’en Trompet 4’) en de Trompet 8’van het Hoofdwerk. Reden hiervoor was dat deze registers steeds moeilijker te stemmen waren en dan op toon te houden. De firma Flaes en Brünjes had bij gelegenheid van de overplaatsing van het orgel naar de nieuw gebouwde kerk in 1853 bepaalde additionele werkzaamheden verricht. Dat betrof onder meer de inkorting van tongwerkbekers.
Bij de restauratie van 2000-2003 was dat reeds bij de Trompet 8’van het Rugwerk gecorrigeerd want dit register was tot dan zelfs niet meer te gebruiken en werd derhalve ingrijpend behandeld. Bij de Dulciaan 8’van het Borstwerk was dit niet aan de orde en uiteraard ook niet bij de door Flaes en Brünjes toen geplaatste Fagot 16’op het Hoofdwerk. Bij de andere tongwerkregisters werd in 2000-2003 afgezien van verder herstel in afwachting hoe een en ander zou klinken en zich zou ontwikkelen. Na ruim tien jaren bleek het echter noodzakelijk ook deze vier tongwerkregisters nader te behandelen. Na uitgebreide proeven (bekerverlenging met karton) werd bij een aantal bekers tot verlenging overgegaan. Ook werden alle kelen en tongen gecontroleerd waarbij enige tongen moesten worden vervangen.
Na deze werkzaamheden bleken de betreffende tongwerkregisters aanzienlijk beter te stemmen en op toon te blijven.